Geweld tegen hulpverleners, een verwarde persoon of een echtelijke ruzie?

Bij mijn onderzoek naar de Waalse familie Renaud uit Leeuwarden kwam ik in de Groninger Archieven een bijzonder verhaal tegen. In 1779 werd de arts Renaud slachtoffer van belediging en vernieling van zijn woning. Was dit een geval van geweld tegen een hulpverlener? Dat was de eerste gedachte die bij me opkwam toen ik het dossier las, maar misschien was er iets heel anders aan de hand.
Dokter Renaud doet daags na het voorval aangifte bij de wedman, de assistent van de rechter. Deze heeft meteen getuigenverklaringen opgenomen. Verschillende getuigen hebben verklaard wat er volgens hen op die bewuste middag is gebeurd, opgesomd in een feitelijk relaas. Als we de getuigenissen, die elkaar grotendeels ondersteunen, samenvoegen dan komt daaruit de volgende toedracht naar voren.

Op vrijdagmiddag 10 september 1779 is mevrouw Aletta Maria Renaud, geboren Sluijterman, bezig in de keuken van haar woning in Scheemda. Haar echtgenoot, Godewijn Louis Renaud, dokter van beroep, is ook thuis. Ze hebben bezoek van Gerrit Egbert Dikkers, die eveneens in Scheemda woont.
Tussen 13 en 14 uur hoort Aletta Maria lawaai en ze treft haar man aan op de stoep bij de voordeur, met een stok in de hand. Hij roept tegen iemand: ‘Kom hier, ik kan u zo niet verstaan’. Mevrouw Renaud herkent de stem van Hillechien Edses, de echtgenote van hun bezoeker. Zij staat bij het huis van de buurman te schreeuwen: ‘Tevenzuiger, hoerenhond, Satanskind, bliksemskind’. De doktersvrouw loopt ook naar buiten en ziet Hillechien voor de pastorie haar opgeheven vuist tegen de Renauds staan schudden. Daarop verdwijnt ze uit zicht bij de kerktoren, die los staat naast het kerkgebouw.
Hiermee loopt het eerste bedrijf van het voorval af, het echtpaar gaat weer naar binnen en zet zich aan het middagmaal.

Impressie van de Torenstraat in Scheema, begin van de 20ste eeuw. Collectie Groninger Archieven

’s Middags moet dokter Renaud naar Westerlee, maar het bezoek blijft nog even. Hillechien Dikkers komt tussen 17 en 18 uur terug en staat weer te schreeuwen voor het huis. Ze tikt tegen het venster en schopt tegen de voordeur. De situatie escaleert als Hillechien een ruit in het Engelse raam [1] aan de voorkant van het huis inslaat. Ze verwondt zichzelf aan het glas en steekt haar bebloede hand naar binnen. Ze forceert de blinden zodat de ijzeren roede achter de blinden helemaal krom gebogen wordt. De buren komen op het lawaai af, overbuurvrouw Margrietie Addens ziet dat Hillechien haar hoofd door het gebroken glas wil steken en vervolgens ook haar neus openhaalt zodat het bloed langs haar mond loopt.
Hillechien is helemaal over de rooie. Ze blijft bonzen en schoppen tegen de voordeur, maar die is vergrendeld en zit op het nachtslot. Uiteindelijk vliegt de deur open, de krammen springen door het geweld uit het slot en de grendel. Het kozijn is behoorlijk beschadigd en de kalk is van de muren afgebroken.

Gerrit Egbert Dikkers gaat de vloekende en scheldende Hillechien door de opengesprongen deur achterna, de doktersvrouw blijft geschrokken achter in haar woning. Buurman Reurt Gerkes ziet dat Dikkers zijn vrouw achtervolgt en een paar trappen tegen haar achterwerk geeft. Margrietie Addens beweert dat het echtpaar achterom bij haar in huis komt. Wat Hillechien toen riep heeft ze niet verstaan. Het stel verdwijnt achter de kerk bij de hoek van de Oosterstraat.

Wat ik mis in de getuigenissen, zijn de achtergronden en de motieven. Waarom is de situatie zo uit de hand gelopen? Hillechien Edzkes had het misschien niet in eerste instantie op de dokter voorzien, mogelijk was er sprake van een echtelijke ruzie. Toen ze de eerste keer bij de dokterswoning kwam, schold ze beide mannen uit. Wie ze bij de tweede confrontatie uitschold en wat ze toen zei, heeft niemand kunnen verstaan, wat vreemd is als iemand luid staat te roepen. Zou Hillechien dronken zijn geweest en daardoor onverstaanbaar? De getuigen reppen hier niet over. Of zou Hillechien mogelijk psychische problemen hebben gehad en ‘een verwarde persoon’ zijn geweest, zoals zulke mensen tegenwoordig worden aangeduid? We hebben geen informatie die nader licht kan werpen op haar motieven.

Dokter Renaud verklaart in zijn aangifte dat Hillechien om 13 uur tegen de ruiten heeft getikt en zowel haar man als de dokter heeft uitgescholden. Hij eist vergoeding van de schade, en het gedrag van mevrouw Dikkers moet ‘gecorrigeerd’ worden. Ook mag ze nooit weer op zijn huis of terrein komen. De zaak wordt aanhangig gemaakt bij de rechtbank. Renaud heeft de schade meteen de dag na het voorval laten repareren, de facturen stuurt hij ter informatie op 16 september naar de drost.
Buurvrouw Margrietie Addens beweert dat Dikkers na de achtervolging van zijn vrouw bij haar aan huis een glas water had gevraagd. Nadat hij dit had opgedronken, was hij teruggekeerd naar het huis van dokter Renaud. Zou Dikkers geprobeerd hebben de zaak te sussen? Hij schrijft een brief naar de drost, hij heeft ‘geruchtswijze gehoord’ dat zijn vrouw de dokterswoning heeft vernield. Zou de drost de zaak willen seponeren, zodat Dikkers het zelf kan oplossen, is zijn voorstel. Je moet maar durven.
Beide echtelieden worden uiteindelijk gecorrigeerd, Dikkers voor het toedienen van de trappen tegen het achterwerk van zijn vrouw, en Hillegien Edzkes voor de vernieling. Zo keert de rust in Scheemda terug.

Twee en een half jaar later wordt Hillechien Edzkes in Scheemda begraven, 46 jaar oud. In 1759 is ze in Eexta met Gerrit Egbert Dikkers getrouwd. Dikkers is paardenhandelaar van beroep en afkomstig uit Rijssen in Overijssel. Zijn broers zijn ook paardenhandelaar en werken zich op tot schout en burgemeester van de gemeente Rijssen.
Ook Godewijn Louis Renaud overlijdt vrij kort na het incident, namelijk in november 1783, nog maar 42 jaar oud, zonder kinderen na te laten.
Ik heb nog even in me om laten gaan of Aletta Maria en Gerrit Egbert mogelijk een buitenechtelijke relatie hadden, omdat Dikkers op die bewuste vrijdag in 1779 lange tijd in huis achterbleef toen Renaud al was vertrokken, met de deur op het nachtslot. Als dat zo geweest is, dan heeft hun verhouding in elk geval niet tot een huwelijk geleid toen hun beider echtgenoten overleden waren. Na het overlijden van zijn vrouw verkoopt Dikkers zijn bezit in Scheemda, maar hij blijft wel in het Oldambt wonen.
De weduwe Renaud verkoopt in 1785 ‘haar moderne betimmerde Behuizinge met 4 kamers, waarvan 3 behangen, groote Schuur met 2 keukens, Stallen voor Paarden en Beesten, met twee groote hoven daar agter, alles staande en gelegen in de Scheemda by ’t Kerkhof aan de Straat’, aldus de Groninger krant van 16 augustus 1785.

Advertentie uit de Groninger Courant van 16 augustus 1785

Waarschijnlijk is ze naar Amsterdam vertrokken, want daar heb ik haar in 1806 teruggevonden als getuige bij de doop van een meisje dat als voornamen Aletta Maria kreeg.

Gezinsstaat Renaud-Sluijterman
Godewijn Louis Renaud, geboren op 6 maart 1741 in Leeuwarden, gedoopt op 12 maart 1741 in Leeuwarden in de Waalse kerk, arts, overleden op 30 november 1783 in Scheemda, zoon van Jean Leonard Renaud en Hester Fleury. Hij ging op 21 februari 1766 in Leeuwarden in ondertrouw, trouwde in maart 1766 in Leeuwarden in de Waalse kerk met
Aletta Maria Sluijterman, gedoopt op 3 oktober 1745 in Leeuwarden, overleden na 9 juli 1806, dochter van Bernardus Sluijterman en Johanna Christina Wiersma.
Uit dit huwelijk geen nageslacht.

Gezinsstaat Dikkers-Edzkes
Gerrit Egbert Dikkers, gedoopt op 7 april 1737 te Rijssen (Ov.), paardenhandelaar, overleden in 1803, zoon van Jan Dikkers en Derkje Hermelink.
In het archief van Huis Weleveld is bewaard gebleven een abolitie, afgegeven door stadhouder Willem V, om Gerrit Egbert Dikkers, als paardenhandelaar te Groningen vertoevend en daar in politieke rellen verzeild geraakt, een vernederende straf te besparen, hem opgelegd door de drost der beide Oldambten in 1789.
Hij trouwde op 4 februari 1759 in Eexta met
Hillechien Edzkes, geboren op 28 aug. 1735 in Eexta, gedoopt op 4 sept . 1735 in Eexta, overleden op 15 maart 1782 in Scheemda, begraven in Scheemda, dochter van Edzko Jans en Grietje Bauwes.
Uit dit huwelijk:
1 Jan Dikkers, geboren op 7 juni 1765 in Eexta, gedoopt op 16 juni 1765 in Eexta, procureur van de rechtbank van eerste aanleg te Almelo, ‘dood bevonden’ op 23 juni 1816 in Azelo (Stad Delden). Hij trouwde (1) op 18 december 1792 in Den Ham met Johanna Elisabeth Brouwer, gedoopt op 29 september 1765 in Den Ham, overleden voor 1795. Hij trouwde (2) op 6 mei 1795 in Den Ham met Janna Vasters, geboren in 1773 in Markelo, overleden op 4 maart 1852 in Den Ham.
Op 23 juni 1816 wordt in een waterplas bij de Braamshaarkamp in Azelo het levenloze lichaam gevonden van mr. Jan Dikkers, procureur te Almelo. Mr. Dikkers blijkt vermoord te zijn. Al snel worden twee verdachten opgepakt: Gerrit Jan Pieperiet, een timmerman uit Delden, en zijn vriend Gerrit Roessingh. Pieperiet was eerder dat jaar failliet verklaard. Mr. Dikkers was belast met de verkoop van zijn failliete boedel.
De veroordeling van Pieperiet is gebaseerd op een verklaring van Roessingh. Beide mannen zeiden eerst dat ze niets van de moord wisten. Pas toen Pieperiet al ter dood veroordeeld was, zei hij dat Jan Dikkers door zijn vriend was vermoord. Pieperiet deed een gratieverzoek, maar dat is nooit bij koning Willem I aangekomen.
In november 1817 wordt hij in hoger beroep tot de doodstraf veroordeeld. Op 3 maart 1818 wordt Pieperiet in Almelo opgehangen. Het betreft het laatste doodvonnis dat in Almelo werd uitgevoerd.

Bronnen
– Groninger Archieven T 731 Gerechten in het Oldambt, 1596 – 1811 inv.nr. 5928.
– Advertenties in de Groninger Courant 12-4-1782, 10-12-1784, 16-8-1785.
– HCO, Toegang 0227.1.1 Huis Weleveld bij Borne en familie Dikkers.
– Stadsarchief Amsterdam, Doopboek Nieuwe Kerk 9 juli 1806, Aletta Maria Basset.
– Genealogie van Kreijkes, van de Maat, van der Kolk en Veldhuis op https://www.genealogieonline.nl/geneologie-kreijkes/I8252.php.
– Almelo Gezinsreconstructies 1600-1850 op http://dutchgenie.net/almelo/almelo-d-o/p27822.htm.

1 Dit is een raam met een vast gedeelte en (meestal) onder een gedeelte dat omhoog geschoven kan worden, vaak met een touw en katrol weggewerkt in de zijstijlen. Met dank aan prof.dr. Johan de Haan.

Dit artikel is gepubliceerd in GroninGEN, afdelingsorgaan van de Nederlandse Genealogische Vereniging afdeling Groningen jg 27 (2020) 84-87.

De Wet van behoud van genealogische ellende

Iedere genealoog komt vroeg of laat in aanraking met de Wet van behoud van genealogische ellende. De oorzaak is niet moeilijk te begrijpen: je bent op zoek naar voorouders en je vindt, meestal online of soms in een boek, dat iemand daar al over gepubliceerd heeft. Dat is makkelijk! Dan hoef je het zelf niet meer allemaal op te zoeken. De informatie ziet er aanlokkelijk uit: allerlei data worden vermeld, en plaatsen waar jouw voorouders hebben gewoond. De voorouderlijke lijn gaat soms ver terug, verder dan je zelf ooit had kunnen dromen.
Hoe zit het met de betrouwbaarheid? Bronnen worden lang niet altijd gegeven. Toch nog maar even verder googelen op internet. En kijk, de gevonden nieuwe voorouders staan ook op andere sites vermeld, dan moet het toch wel kloppen allemaal! En zo blijft het balletje-balletje spel maar doorgaan en kan de Wet van behoud van genealogische ellende (WBGE) haar greep op jouw stamboom blijven uitoefenen.
De remedie om verlost te worden van al deze genealogische nonsens is eenvoudig maar betekent hard werken. In feite moeten we hetzelfde recept volgen als met alle andere informatie die we dagelijks tot ons nemen: check je bronnen! Het is makkelijker gezegd dan gedaan, maar als je niet wilt verdwalen in het sprookjesbos zul je toch echt alle gegeven paarden in de bek moeten kijken.

Ik kwam deze week de WBGE weer tegen bij een opdracht voor een klant. Hij wilde meer weten over het voorgeslacht van zijn voorouder Cornelis van Eck, die op 20 augustus 1742 in Driesum is overleden.[1] Cornelis was militair van beroep en uit zijn naam blijkt al dat hij waarschijnlijk van buiten Friesland afkomstig is. Hij woonde vanaf 1722 met een kleine tussenpoos in Driesum, in het noordoosten van Friesland, waar hij een aantal kinderen kreeg samen met zijn tweede vrouw Tietske Jans.

Mijn klant bleef ondertussen meezoeken en stuurde af en toe links door van wat hij op internet gevonden had. Omdat veel personen van deze Cornelis van Eck afstammen, komt Cornelis geregeld voor in stambomen op internet. Op een gegeven moment leek het erop dat Cornelis toch in Friesland geboren zou zijn, mogelijk in Franeker. Daar woonde namelijk rond die tijd ook een Cornelis van Eck en die werd op internet opgevoerd als zijn vader.[2] Het bijzondere aan deze Cornelis van Eck senior was, dat hij in 1732 in Zuid-Afrika overleden zou zijn. In KwaZulu-Natal, nadat zijn vrouw Elisabeth Valentinsdr Schmit, de moeder van onze Cornelis, rond 1696 in Kaapstad overleden was. Wat een spannend leven hadden deze mensen gehad!
Toen we de gegevens nog eens goed bekeken en daarmee verder zochten, bleek dat er verschillende Cornelissen van Eck waren gecombineerd. Er trouwde namelijk in 1690 een executeur Cornelis van Eck in Sint Annaparochie.[3] Ook was er een Cornelis van Eck hoogleraar in de rechten aan de Franeker universiteit.
Mijn klant, zelf jurist, was dolgelukkig met zijn internetvondst. Helaas, de vork zat totaal anders in de steel: professor Cornelis van Eck werd later hoogleraar in Utrecht en is daar overleden. Ondertussen zagen we dat deze Van Eck ook wordt beschreven in het Biografisch Portaal in twee biografische woordenboeken.[4] Daarin werd niets genoemd over KwaZulu-Natal, wel werd een portret genoemd. Via de site van het Rijksmuseum werd een prachtige gravure van de hoogleraar binnengehaald.[5]

Portret van Cornelius van Eck, hoogleraar in het recht te Franeker en vanaf 1693 in Utrecht. Gravure door Petrus Aeneae, Franeker, 1680-1693. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-BI-2

In de biografische woordenboeken werd een andere echtgenote van Cornelis senior genoemd dan Elisabeth Schmidt, namelijk Catharina de Witt. Grote teleurstelling volgde toen in het desbetreffende lemma werd vermeld dat Cornelis van Eck kinderloos stierf, en in het andere dat zijn twee kinderen op jonge leeftijd zijn overleden.[6]
Is er dan wel een plaatsje Utrecht in KwaZulu-Natal? Jazeker, maar dat stadje is pas in de 19de eeuw gesticht.[7] Er leefde na 1700 een echtpaar Cornelis van Eck/van Nek en Elisabeth Smit/Schmidt dat inderdaad naar Zuid-Afrika is verhuisd,[8] maar ze zijn foutief gekoppeld aan de Cornelis die ik onderzoek. De Wet van behoud van genealogische ellende kan dus heel vermakelijke resultaten opleveren en is altijd goed voor wat hersengymnastiek.

1 Tresoar, Lidmatenregister Herv. Gemeente Dantumawoude, Driesum en Wouterswoude, archiefnummer 28, inventarisnummer 166, aktenummer 515.

2 https://www.genealogieonline.nl/kwartierstaat-johannes-zijlstra/I1071554548.php, https://www.genealogieonline.nl/stamboom-zandstra-agema/I4858.php en https://www.geni.com/people/Cornelis-van-Eck/6000000039571012291.

3 Tresoar, DTB boeken, Trouwregister Hervormde gemeente St. Annaparochie, archiefnummer 28, inventarisnummer 0120, aktenummer 2442.

4 http://www.biografischportaal.nl/persoon/62855977.

5 http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.42944

6 Vermelding van zijn overlijden in Het Utrechts Archief, Toegangsnummer 711 Burgerlijke stand gemeente Utrecht en van de voormalige gemeente Zuilen: retroacta doop- trouw- en begraafregisters, inventarisnummer 131 pag. 692.

7 https://nl.wikipedia.org/wiki/Utrecht_(Zuid-Afrika).

8 zie https://www.familysearch.org/tree/person/sources/K2QQ-LQ1.

Het legaat

Het was prachtig zomerweer. Jan Jansen Finck floot een deuntje, terwijl hij nog eens het gewicht van de geldbuidel in zijn hand voelde. In zijn rugzak zaten de inkopen die hij in Leeuwarden had gedaan. Hij verheugde zich nu al op het blije gezicht van zijn lieve vrouw Antje, als hij de mooie lap stof zou laten zien die hij voor haar had gekocht, er was genoeg om voor haarzelf een jak en een nieuwe rok te kunnen naaien. Voor de meiskes had hij twee zilveren vingerhoeden gekocht. Hij was een spaar¬zaam man, zijn dochters waren ondertussen flinke meiden die al bijna uit werken konden gaan, hij kon hij ze maar beter iets geven waar ze nut van hadden. ‘Zilver behoudt altijd zijn waarde’, dacht hij nog eens, tevreden met zichzelf.
Zodra hij Aldtsjerk achter zich had gelaten, kon hij verderop tussen de bomen de kerktoren van Rinsumageest ontwaren. Daarachter lag de state van zijn werkgever, Minne Frans van Burmania en diens vrouw Anna Lucia Andriesa van Camstra. Hij werkte nu al heel wat jaren als tuinman op Tjaarda¬state. Het was een prachtig buiten, maar zijn heer was geen makkelijk heerschap; Jan Jansen was soms achter met de huur die hij voor zijn woning aan Van Burmania schuldig was. Daarom was Jan ook zo blij dat hij nu met zo’n dikke beurs thuiskwam.

Tjaardastate te Rinsimageest door Bulthuis, ca. 1795

Zijn familie had dit alles te danken aan mademoiselle Marie Ganar. In het voorjaar van 1723 was haar gezondheid behoorlijk achteruit gegaan. Eind april was zijn vrouw Antje ’s avonds opgeroepen om bij mademoiselle, die ziek te bed lag, te getuigen. Ook Catharina Douwes, huisvrouw van Gerrit Harmens, en Harmke Fransen, de dienstmeid van ds. Grevenstein, moesten getuigen. Juffrouw Ganar wilde honderd gulden nalaten aan Trijntje Pieters, de vrouw van Frederik Harmens, die haar tijdens haar ziekte zo trouw had verzorgd. Als bewijs van haar aanwezigheid moest Antje een kruisje zetten onder het document dat chirurgijn Bantert hierover had opgesteld.
Trijntje Pieters had het niet helemaal vertrouwd en had gevraagd: “Van wie zal ik die honderd guldens dan ontvangen?” Mademoiselle had geantwoord: “Die zul je in klinkende munt ontvangen van de Franse diaconie in Leeuwarden, aan wie ik mijn bezit nagelaten heb.”
Mademoiselle Ganar was zo goed voor hen geweest! Ze had een speciale band met hun dochtertjes Jetske en Sjoukje en had op 18 april, toen iedereen dacht dat ze het tijdelijke met het eeuwige zou verwisselen, haar testament opgemaakt. Chirurgijn Bantert, die ook dorpsrechter was, was daarbij getuige geweest. Jetske en Sjoukje hadden samen 150 Caroliguldens gekregen, stel je eens voor wat een rijkdom!
Vandaag had hij het legaat uitbetaald gekregen door penningmeester Gerroltsma van de Waalse kerk, zoals de Franse kerk ook vaak werd genoemd. Jan was samen met Frederik Harmens vanuit Rinsumageest naar Leeuwarden gelopen. Frederik wilde het geld dat zijn vrouw Trijntje had geërfd komen ophalen. Nadat ze samen een pul bier hadden gedronken op de goede afloop, was Frederik in de kroeg blijven zitten.
De zon scheen op de bleek bij hun huis toen Antje haar man zag aankomen. Ze omhelsde hem en trok hem mee naar binnen, benieuwd naar zijn verhalen en alles wat hij had meegebracht.

Het bovenstaande verhaal is geschreven op basis van het testament en legaat van Marie Ganar, Historisch Centrum Leeuwarden, Toegang 1711, archief van de Waalse gemeente, inv.nr. 594, nummer 14.
De vermelding over de huurschuld is gebaseerd op een huurschuld van Jans zoon Wybe, Tresoar, archief Tjaardastate te Rinsumageest, Toegang 313, inv.nr. 66.
Over Jan Jansen Finck zijn een aantal genealogische feiten nog niet bekend. Dit is wat we nu van hem en zijn gezin weten, voornamelijk gebaseerd op de Inschrijvingen Tietjerksteradeel e.o. uit de Verzameling Nieuwland-Tresoar, aktenr. 3437 en de Bevolking Tietjerksteradeel uit dezelfde verzameling, aktenr. 28426 via Allefriezen.nl.
Dankzij de vondst van het testament kan dochter Jetske toegevoegd worden aan het gezin en is ook bekend voor wie Jan Jansen Finck werkte. En we hebben zijn handtekening, hij had een geoefend handschrift!

Gezinsstaat van Jan Jansen Finck
Jan Jans(en) Finck, mogelijk gedoopt op 30 maart 1671 in Leeuwarden als zoon van Jan Jansen Finck en Rebecca Roelofs, wonende te Rinsumageest, hovenier en gardenier op Tjaardastate (1723), overleden vóór 1742.
Hij ging op 10 januari 1696 in Leeuwarden in ondertrouw en trouwde (1) in 1696 in Rinsumageest met
Aukjen Rykles, dochter van Rykle Popkes en Tryn Egberts, gedoopt op 23 juli 1675 in Rinsumageest, wonende aldaar, overleden vóór 1703 .
Hij trouwde (2) omstreeks 1704 met Antje Annes, dochter van Anne Sikkes en Jetske Sjoerds, wonende te Rinsumageest, overleden na 21 mei 1723.

Kinderen uit het eerste huwelijk van Jan met Aukjen:
1 Rykle Jans Finck, gedoopt op 2 augustus 1696 in Rinsumageest, wonende aldaar en in Bergen (NH), gardenier, overleden op 25 november 1733 in Bergen (NH).
Hij trouwde omstreeks 1730 in Rinsumageest met
Geertje Eelkes, geboren omstreeks 1710, wonende te Akkerwoude en Bergen (NH), overleden op 23 februari 1781 in Akkerwoude. Zij trouwde (2) op 12 mei 1737 in Akkerwoude met Lubbert Liepkes (1710-vóór 1743). Zij trouwde (3) op 22 juni 1749 in Akkerwoude met Johannes Tjebbes (ovl. vóór 1766).
2 (mogelijk) IJsbrand Jans Finck, overleden vóór 1742.
3 Wybe Jans Finck, gedoopt op 21 augustus 1698 in Rinsumageest, overleden voor 5 augustus 1740. Hij trouwde voor 1723 met Grietje Idses, overleden na 5 augustus 1740.

Kinderen uit het tweede huwelijk van Jan met Antje:
4 Jetske Jans Finck, overleden na 18 april 1723.
5 Sjoukje Jans Finck, wonende te Rinsumageest en Veenwouden. Zij trouwde op 7 juni 1745 in Veenwouden met
Hendrik Jacobs, geboren omstreeks 1702 onder Rinsumageest, zoon van Jacob Gerrits en Sjoerdje Rienks, veenbaas, wonende te Akkerwoude en Veenwouden, overleden omstreeks 1767 in Veenwouden.
6 Sjoerd Jans Finck, gedoopt op 16 juni 1715 in Rinsumageest, wonende te Alkmaar, overleden na 1742.
7 Jan Jans Finck, wonende te Bergen (NH), overleden na 1742.
8 Anthony Jans Finck, wonende te Harlingen.

Testamenten in het achief van de Waalse gemeente te Leeuwarden

Soms heb je een toevalstreffer. Zo ontdekte ik dat er in een inventarisnummer van het archief van de Waalse kerk in Leeuwarden, met in- en uitkomende post uit de jaren 1643-1814, ook hele andere interessante stukken zaten. Namelijk testamenten! Voorin dit inventarisnummer zit een lijst, een nadere toegang dus. Die heb ik overgenomen en een heel klein beetje aangevuld of verbeterd, want er zaten een paar fouten in de lijst voor wat betreft de namen in de testamenten.
Ik hoop dat andere onderzoekers profijt zullen hebben van deze nadere ontsluiting. Binnenkort schrijf ik een blog over het testament waar ik heel erg blij van werd!


Historisch Centrum Leeuwarden, Waalse Gemeente in Leeuwarden, Toegang 1711 inv.nr. 594, pièces recues et expédiées


Inventaris van eenige papieren, die van tijd tot tijd bewaard en gevonden zijn in de geldkiste ten dienste deeser Gemeente, staande in de Consistorie kamer.
Nummers aan de stukken gegegven bij het opmaken van een nieuw register in 1848

2. Twee acten tusschen differente echtelieden op pergament, grootendeels onleesbaar.

3. 1648 Een testament van David Clijmen, soldaat onder de compagnie van den Capitain Sybranda van Walta en Antje Hendricks, echtelieden.

3a. 1658 Een testament van Pieter Martens, Corporaal onder de Zwitsers onder Graeff Mauritius Compagnie, en Antje Hendricks, echtelieden.

1668 Eene missive uit Leyden voor een fonds voor studenten
(niet gevonden in 1848 bij de opmaking van een nieuw register.)

4. 1672 Eene Resolutie der Heeren Gedeputeerden, waarbij jaarlijks aan de Kerk voor daagelijks onderhoud geaccordeert worden / 125 gulden.

5. 1676 Eene Resolutie der Heeren Gedeputeerden, waarbij aan de Fransche Diaconie worden toegekend de boeten, voorvallende bij de tafel, alsmede de huishuur van de overleedene zieketrooster.

6. 1688 Eene Resolutie der Heeren Gedeputeerden Staaten, waarbij aan de Fransche kerken in dit gewest bij touren twee kerken te committeeren naar de Synodes op een subsidie van Eenhonderd daalders.

7. 1699 Testament van Jean Closié te Amsterdam in het Fransch.

8. 1701 Het testament van Jean Bartingh en zijn vrouw, die bij het kinderloos afsterven de Waalsche gemeente Erfgenaam maaken.

9. 1702 Het testament van Mejuffer Marie Dupré, refugiée qui a fait un leg. de / 200 flor. aux pauvres de l’Eglise Wallonne de Leeuwarden.

10. 1703 en 1704 alles wat relatie heeft tot de verkoop van twaalf grafplaatsen in de Fransche kerk.

11. 1715 het testament van Jean Raymond et demoiselle Marie Dicq.

12. 1718 Het testament van Marie Bech, veuve de Louis Vaudraine waar bij de armen deeser Gemeente gesubstitueerd worden voor de helft by zeekere toeval.

13. 1720 verhaal voor ’s Hofs comissaris omtrent de effecten, behoorende tot de boedel van wijlen mejuffrouw Marie Bech.

14. 1723 Het testament van Marie Genaer, die de Fransche diaconie binnen Leeuwarden tot haar erfgenaame heeft aangesteld.
Nuncupatief codicil van Jufrouw Genaer.

15. 1727 Het testament van Jean Clozié en Jeanne Louise Gonzal.

16. 1735-1736-1738 Requesten van de Consistorie, omtrend de boetens op Het collegie.

17. 1741 Request en contrarescriptie van den kerkenraad, omtrend de aanstelling van iemand tot ouderling en diaken in de Neederd. Gemeente, die in de Waalsche Gemeente die posten hebben waargenoomen.

18. 1745 Het testament van Tjaltje Celis, die Jean Closié tot Erfgenaam aanstelt.
Het testament van Jean Closié die Tjaltje Celis tot Erfgenaam aanstelt.

19. 1747 Het testament van Jean Closié die de Waalsche diaconie tot Erfgenaam aanstelt.

20. 1748 Een acte van donatie inter vivos van Jufrouw Dauphine Venes, waarbij de kerkenraad aanneemt de donatrice te onderhouden.

21. 1752 Un acte secret, relatief à l’articel 42 du synode asseblé à Amsterdam dans le mois de Juin 1752.

22. 1754 Extract uit het Resolutie boek der Gedeputeerden, waar bij gestatueerd word dat geen van beide kerkenRaads adtestatien op behoorlijke wijze van hun verzogt, aan Leedemaaten, die van een eerlijk en onverspraakelijk gedrag zijn, zal moogen weigeren maar aan weerskanten volgens order der kerk verleenen.

23. 1769 Het testament van Anne Marie Pommerolles, die de Fransche diaconie te Leeuwarden tot erfgenaam heeft aangesteld.

1771 Een Lijst der gereclameerde Banken
(niet gevonden in 1848).

24. 1782 Twee circulaires, om in Weenen eene Gereformeerde Gemeente op te rigten.

25. 1796 Eene Nauwkeurige uitrekening van de waarde der roerende en onroerende Goederen, toebehoorende aan de Fransche kerk binnen Leeuwarden, ter goedkeuringe aan de municipaliteit overgegeeven.

[de nummering verspringt van 25 naar 27]

27. 1800 Resolutie en Inventaris van de gereclameerde kerke goederen.

28. 1808 Rapport du President diacre P.J. Suringar, relatif les revenues et les depenses, tant ordinaires qu’extraordinaires de notre Eglise, avec toutes les pieces, y attachées.

Deese boovenstaande stukken zijn in de ysere kist, als de veiligste bewaarplaats, gevonden bij het afsterven van Ds. S. J. Renaud.

29. Project d’un plan pour former un fonds général pour subvenir aux honoraires des pasteurs et emerites et aux pensions des veuves des Pasteurs des Eglises Wallonnes dans la Republique Batave.

30. Une lettre de l’eglise de Maastrigt pour exprimer la consternation et la douleur, dont cette Eglise a été pénétrée à la lecture de la resolution qu’a pris le Synode de Breda contre les Eglises infortunées, qui ne plus du territoire Hollandois – 1m d’Aout 1802.
Extract uit het verhandelde bij den Minister tot de Binnenlandsche zaaken – van vrijdag den 13 November 1807, betrekkelijk de voorkomende vacaturen van Predicantsplaatsen bij de hervormde Neederduitsche Gemeenten, en het vermeerderen van het getal der Leeraars, die geheel of gedeeltelijk van den Lande of uit andere publieke kassen betaald worden
(niet gevonden in 1848).

31. Plan d’Inscription pour obtenir le tratement d’un pasteur.

Doopfeest in Marum

Tegenwoordig komen er steeds vaker meerlingen ter wereld, als we de krant mogen geloven. Berichten als ‘Juf uit Zuiderburen heeft vier tweelingen in de klas’ of ‘In Bergum drie tweelingen in groep zes’ doen ons telkens weer stilstaan bij deze speling van de natuur.
Bij gebrek aan moderne vruchtbaarheidstechnieken zullen tweelingen vroeger ongetwijfeld veel zeldzamer zijn geweest. Maar oudere moeders kwamen toen net zo goed voor als nu, dit bij gebrek aan moderne voorbehoedsmiddelen, dus misschien kan dat verklaren waarom er toen soms ook opvallende ‘explosies’ van tweelingen voorkwamen. Want hoe ouder de moeder, hoe groter de kans op een meerling.

Op zoek naar het voorgeslacht van mijn beppe Rinske de Vries, in 1893 geboren in Oudega (Sm.) probeer ik de geboorteplaats van de vader van hààr beppe, Froukjen Jans Drent (1800-1877) te achterhalen. Hij heet Jan Luitzens Drent, maar in zijn overlijdensakte uit 1823 wordt zijn geboorteplaats niet vermeld. Door via een omweggetje te zoeken, namelijk via de overlijdensakte van een zuster van Froukjes vader, Romkje Luitzens Drent, kom ik erachter dat hun ouders destijds in Marum woonden. Daar vind ik in het doopboek van de Hervormde gemeente Marum-Noordbroek inderdaad de doop van Jan Luitzens in 1770 en in 1777 een vermelding van de doop van zijn jongere zus Romkje, ingeschreven als nummer 9 van dat jaar. Hé, ze heeft een tweelingzus (of misschien -broer?) die al snel na de geboorte overleden is, denk ik bij het lezen van de tekst. Als ik de doopinschrijvingen erboven wat beter bekijk, ben ik wel heel verrast: nog twee tweelingen! Zou dominee die dopen bewust op dezelfde dag hebben gepland?
‘Drie tweelingen, alle meisjes, op den selfden voorjaarsdag gedoopt’, het had een leuke kop boven een artikel in de Marumer Courant kunnen zijn, zeker als de jongste het ook had mogen beleven.

5 en 6 Den selven dito [11 maart 1777] tot Marum 2 tweelingen, zijnde dogters gedoopt van Harm Pieters, en Anke Engberts Echtel. tot Marum. ’t eene is genaamt Anke het andere Roelfke.
7 en 8 Den selven dito tot Marum 2 tweelingen zijnde Dogters gedoopt van Pier Hindriks en Grietje Jacobs Echtel. tot Marum het eene genaamt Janke, het [andere] Japke.
9 Den selven Dito tot Marum een dogter gedoopt van Luitte Jans en Bintje Boukes Echtel. tot Marum zijnde dit kind een tweeling genaamt Romke.
het ander is ongedoopt gestorven.

Dit artikel is een bewerkte vorm van een gelijknamig artikel dat in 2005 gepubliceerd is in 11 en 30. Mededelingenblad van de Nederlandse Genealogische Vereniging afd. Friesland

Sjoerd Wiebes Bakker (1867-1902)

Signalementskaart van Sjoerd Wiebes Bakker in het Drents Archief, Toegang 0137.01, inv.nr. 339 nr. 162

In de negentiende eeuw was nog niet zoveel bekend over de invloed van armoede en gebrek aan kansen op (kleine) criminaliteit. ‘Wie niet werkt, zal ook niet eten’ was een al te gemakkelijk gezegde in een tijd waarin industrialisatie en werkloosheid gelijk op gingen. Hoe zou het Sjoerd Wybes Bakker, de jongste broer van mijn overgrootmoeder Antje vergaan zijn als hij meer begeleiding in het leven had kunnen krijgen?
Sjoerd is in 1867 in Hardegarijp geboren als vijfde en jongste kind in het gezin van Wybe Popkes Bakker en Beeuw Hayes Kramer. Moeder overlijdt als Sjoerd twee jaar oud is, vader twee weken voor Sjoerds negende verjaardag. De ouders zijn beiden afkomstig uit de Zuidwesthoek, maar trouwen in 1854 in Tietjerksteradeel. In Hardegarijp worden hun vijf kinderen geboren en proberen ze als arbeiders de kost te verdienen.
Na de dood van vader Wybe besluit oom Sjoerd Popkes Bakker, die in Langweer woont, zijn naamgenoot Sjoerd op te nemen in zijn gezin. Oom Sjoerd is de uitbater van herberg “De Drie Zwaantjes” in Langweer. Hoe Sjoerd daar opgevangen wordt, weet ik niet. Al in 1882, net vijftien jaar geworden, trekt Sjoerd naar Leeuwarden, waar hij tien dagen logeert bij een andere broer van zijn vader, Franke Bakker, die broodventer is. Vanuit Leeuwarden vertrekt hij naar Amsterdam, waar hij vrijwillig in dienst gaat van de Koninklijke Marine. Het is in deze tijd dat Sjoerd waarschijnlijk zijn tatoeage heeft laten zetten, op zijn linker onderarm droeg hij namelijk een afbeelding van een klein vrouwenhoofd.
Na vier jaar dienst bij de Marine houdt hij het voor gezien en keert hij in 1886 terug naar Leeuwarden, waar hij weer korte tijd bij oom Franke en zijn gezin inwoont. Daarna vinden we hem terug in het kostgangersregister van de stad. Blijkbaar lukt het niet om vast werk te vinden en begint hij te zwerven. Al op 29 augustus 1887 wordt hij door de arrondissementsrechtbank te Heerenveen wegens bedelarij veroordeeld tot twaalf dagen hechtenis en drie jaar opsluiting in Veenhuizen.
We zien het vaker, bedelaars die eenmaal in Veenhuizen hebben gezeten en geen werk of inkomen hebben, worden geregelde bezoekers. Nadat Sjoerd in 1890 is vrij gelaten, probeert hij in Rotterdam een bestaan op te bouwen. Binnen een jaar is hij terug in Veenhuizen, de rechtbank in Rotterdam heeft hem tot een straf van een jaar veroordeeld wegens landloperij. In 1892 trekt hij vanuit het gesticht in Veen-huizen naar Den Haag, maar ook daar weet hij amper een jaar uit handen van justitie te blijven. De rechtbank Den Haag veroordeelt hem tot twee jaar opzending wegens landloperij en op 2 juni 1892 wordt hij al voor de derde maal in vijf jaar tijd ingeschreven in Veenhuizen.
Eenmaal weer op vrije voeten, probeert hij in Groningen als barbier aan de kost te komen, althans die woonplaats en dat beroep staan op zijn signalementskaart vermeld wanneer hij in 1896 opnieuw wordt ingeschreven in Veenhuizen, met pasfoto ditmaal. Dankzij deze registratie is hij één van de eerste personen in die familie die gefotografeerd is. Sjoerd is ergens in Brabant opgepakt en door de rechtbank Breda veroordeeld tot het tuchthuis.
Hij is recht van voren gefotografeerd en profiel, waarbij zijn hoofd in een soort klem zit en zijn rug gesteund wordt. Op de signalementskaart worden op een voorgedrukt formulier tot in detail allerlei maten van zijn lichaam en gezicht weergegeven. Vingerafdrukken completeren het geheel. Deze uitgebreide beschrijving dient in de eerste plaats om iemand te kunnen identificeren in geval van een ontsnapping, maar er is meer. Het vastleggen van de maten in het gezicht volgt uit de wetenschappelijke opvattingen van die tijd, die bepaald worden door de theorie van de frenologie. Het was Caesare Lombroso die als eerste de frenologie toepast op criminologisch onderzoek. Volgens Lombroso hebben criminelen bepaalde fysieke eigenschappen, waaraan ze herkend kunnen worden, zoals diepliggende ogen en doorgegroeide wenkbrauwen, hoge jukbeenderen en een asymmetrisch gezicht. Zijn theoriëen op dit gebied waren ook in zijn tijd betwist en inmiddels allang achterhaald.
Op 30 juli 1902 komt Sjoerd Wiebes Bakker in Veenhuizen te overlijden, ongehuwd, 35 jaar nog maar, zonder beroep, eenzaam en alleen. Een kansarme met een vergeten en verloren leven. Wat een triest einde.

Dit artikel is geschreven als onderdeel van het themanummer ‘Ommerschans en Veenhuizen’in 11 en 30. Mededelingenblad van de Nederlandse Genealogische Vereniging afd. Friesland, nr. 81 jg 21 nr 1 (2016) 34-35.

Het zwarte schaap van de familie: Carel Meijer (1809-1861)

Op 18 juli 1861 wordt in Haskerland een overlijden ingeschreven op basis van het ‘­­­in der tijd door de heer burgemeester, ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente Norg, provincie Drenthe, toegezonden extract’ uit het overlijdensregister. Hieruit blijkt dat al een half jaar eerder, op 28 januari 1861 om een uur ’s nachts in het Derde gesticht te Veenhuizen is gestorven Carel Meijer, ongehuwd, van beroep kolonist, geboren te Joure, zoon van Johannes Carel Meijer en Ise Arends Evers, beiden overleden, wonende of gewoond hebbende te Joure, oud 51 jaar.

Wie is deze afgedwaalde oud-inwoner van Joure en hoe kwam hij ertoe het ‘beroep’ van kolonist te omarmen? Carel heeft een gunstige start in het leven. Hij wordt op 26 oktober 1809 geboren als het tweede kind uit een gezin van in totaal tien kinde­ren. Zijn vader heeft in de vlek Joure een praktijk als genees- heel- en vroed­mees­ter, gecom­bi­neerd met een apotheek. Zijn moeder, die niet ‘Ise Arends Evers’ maar Ytje Arend Evertsz heet, is de dochter van een rijke koopman aldaar, die in de Franse tijd maire en later vrederechter was.

Als de vader in 1827 komt te overlijden, is het voor moeder Ytje zwaar om het hoofd boven water te houden. Haar welgestelde familie zal ongetwijfeld bijge­sprongen zijn, of is er misschien toch sprake van een verstoorde familieband? Ytje moet op zoek naar een andere woning en trekt met haar gezin in bij de bejaarde dorpsonderwijzer Laurens Hornstra. Ze probeert ondertussen de kost te verdienen als koopvrouw en ‘winkeliersche’ en drijft wat wij nu een stof­fen­­zaak annex fourniturenwinkel zou­den noemen. Vanaf 1830 loopt de winkel al niet goed, want geregeld komen we in het Notarieel archief protesten tegen van schuldeisers die niets uitbetaald krijgen. Uiteindelijk besluit Ytje Meijer in 1839 tot de verkoop van de complete winkel­inventaris1. Haar oudste vier zoons, onder wie Carel, hebben het huis dan al verlaten2

Als Ytje in 1853 komt te overlijden, blijkt dat er problemen zijn met sommige kinderen. De dochters uit het gezin hebben keurige en goede huwelijken gesloten. Ook de tweede zoon, Evert Meijer, is goed terechtgekomen als notaris met hulp van zijn oom Wybren Arend Evertsz, eveneens notaris. Maar de broers Arendt, Anne en Wybren verblijven ergens in het buitenland. Ik ben er nog niet in geslaagd te achterhalen wanneer en waar ze naar toe gegaan zijn. Arendt keert in 1862 terug en wordt in november van dat jaar, ongehuwd en zonder beroep, opgenomen in het armhuis van Joure, waar hij vier jaar later op 54-jarige leeftijd komt te overlijden. Ik vermoed dat hij mogelijk geestelijk of lichamelijk niet gezond was. Blijkbaar kon hij niet aan een baan of inkomen geholpen worden.

De oudste zoon Carel loopt er in dit gezin helemaal uit. Waar hij tussen 1827 en 1852 is geweest, weet ik niet. Begin 1852 duikt hij voor het eerst op, wanneer hij in Veenhuizen wordt ingeschreven na een veroordeling door de rechtbank Assen. Samen met de 22-jarige Johannes Noordbergen, afkomstig uit Groningen, heeft hij zich schuldig gemaakt aan ‘bedelarij in verbinding’. Als domicilie van onderstand wordt zijn geboorteplaats Joure vermeld; blijkbaar moet de gemeente Haskerland hem onderhouden. In Veenhuizen moesten de gestraften uiteraard arbeid verrich­ten. In Carel Meijers geval is dat een wat leuker baantje geweest. In de Memorie van Successie, opgemaakt na het overlijden van zijn moeder Ytje Evertsz in 1853 wordt Carel vermeld als apothekersassistent, werkzaam te Veenhuizen3.

Na zijn vrijlating is het in de zomer van 1856 weer raak: voor de rechtbank van Assen bekent Carel Meijer dat hij om een aalmoes heeft gevraagd en opnieuw wordt hij vanwege bedelarij veroordeeld tot een verblijf in Veenhuizen. Ditmaal wordt zijn beroep vermeld als ‘arbeider’.

Tot een vrijlating komt het niet meer, in de januarimaand van 1861 komt Carel Meijer te overlijden en wordt hij bij het Gesticht in Veenhuizen ter aarde besteld in een anoniem graf tussen de vele veroordeelden die hem zijn voorgegaan.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in 11 en 30. Mededelingenblad Nederlandse Genealogische Vereniging afd. Friesland, nr 82 jg. 21 nr. 2 (2016) 66-67.